Naar een Rotterdams Netwerk van Groene (Voedsel)Initiatieven

– Samenvatting –

Zelfonderzoek samenwerking voor bestendigheid

Auteur: Rutger Henneman

Groene (Voedsel)Initiatieven in Rotterdam

Rotterdam kent een verscheidenheid aan groene (voedsel)initiatieven. Kleine en grote
buurtmoestuinen, stadslandbouwprojecten, voedselbossen. De huidige bestaande
initiatieven zijn bijna allemaal in de laatste 12 jaar ontstaan. De maatschappelijke waarde
van groene (voedsel)initiatieven wordt steeds vaker en breder erkend en ook
wetenschappelijk vastgesteld. Desondanks staat een groot aantal groene
(voedsel)initiatieven continu onder druk. Om ervoor te zorgen dat groene
(voedsel)initiatieven hun maatschappelijke rol kunnen blijven vervullen en verder
ontwikkelen, moeten ze bestendiger worden.

Samenwerking voor Bestendigheid

In de vele pogingen om de bestendigheid te versterken is regelmatig de vraag gesteld of het
zou helpen als groene (voedsel)initiatieven onderling meer samenwerken. En zo ja, hoe
zouden groene (voedsel)initiatieven moeten samenwerken om veranderingen teweeg te
brengen die leiden tot meer bestendigheid? Dat is de hoofdvraag van dit ‘zelfonderzoek’ van
groene (voedsel)initiatieven in Rotterdam. Kunnen we samen de factoren beïnvloeden die
leiden tot meer bestendigheid?

Zelfonderzoek


Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Gemeente Rotterdam, als onderdeel van het
Rotterdamse Living Lab binnen het Europese Edicitnet project. Geïnspireerd door vormen
van ‘action-research’ is er geen subject en geen object van onderzoek. Door de dialoogvorm
van dit onderzoek zijn de vraagstelling, de methode, de analyse en conclusies het resultaat
van onderlinge dialoog. Door middel van twee groepsgesprekken en 17 tweegesprekken
tussen telkens twee initiatiefnemers wordt onderzocht hoe deze 34 initiatiefnemers denken
over hun bestendigheid en over onderlinge samenwerking.

Resultaten Bestendigheid


Groene (voedsel)initiatieven hebben verschillende middelen nodig om te kunnen
voortbestaan. De middelen die het meest door initiatiefnemers genoemd worden zijn geld,
grond, vrijwilligers en een betaalde coördinator. Minder vaak (maar wel regelmatig) worden
ook tijd, draagvlak, expertise, huur en steun van de gemeente genoemd als benodigde middelen. Een vorm van subsidie wordt het vaakst genoemd als manier om te voorzien in de
middelen. Daarna fondsen. En minder vaak (maar wel regelmatig) wordt de verkoop van
producten, verhuur van de locatie en particuliere opdrachten aangemerkt als manieren om
te voorzien in benodigde middelen. Op de vraag wat de belangrijkste factoren zijn die de
continuïteit van het initiatief beïnvloeden, worden vier factoren het meest genoemd:
kartrekkers, de toekenning van land, financiële steun van de gemeente en meer in bredere
zin gemeentelijke of politieke steun. Werken aan zichtbaarheid wordt het meest genoemd
als iets wat initiatieven zelf kunnen doen om hun bestendigheid te versterken. Minder vaak
(maar nog steeds regelmatig) wordt ook samenwerking met andere initiatieven genoemd en
het aanbieden van educatie of workshops als mogelijkheden de eigen bestendigheid te
versterken. Wat zou de overheid kunnen doen om de bestendigheid van groene
(voedsel)initiatieven te versterken? De antwoorden dat het meest gegeven wordt is het
bieden van meer en structurele financiële steun. Daarnaast worden ontkokeren en flexibeler
of minder bureaucratisch worden, ook veel gezien als manieren waarop de gemeente kan
bijdragen aan de bestendigheid van groene (voedsel)initiatieven. Initiatiefnemers uiten bijna
geen gedachtes over een mogelijke rol van andere organisaties bij het versterken van de
bestendigheid.

Onderlinge Samenwerking


Dit onderzoek levert bijna geen kritische geluiden op over de vraag of onderlinge
samenwerking wel helpt bij het bestendiger maken van groene (voedsel)initiatieven. Slechts
een enkeling stelt vraagtekens of kanttekeningen. En vaak wordt door aan te geven hoe je
niet moet samenwerken gespecificeerd hoe je dat wél zou moeten doen. De vraag of er één
netwerk zou moeten ontstaan of meerdere losse coalities is niet gesteld in dit onderzoek en
zou meegenomen moeten worden in een vervolg.

De belangrijkste doelen voor samenwerking die het meest genoemd worden door
initiatiefnemers zijn: lobby/belangenbehartiging (met name voor structurele financiële steun
van de gemeente), kennis en vaardigheden delen, waarde zichtbaar maken, en ‘dingen’
delen (zoals gereedschap, materialen, plant- en zaaigoed, enz).


De vraag over hoe groene initiatieven zouden moeten samenwerken levert heel vaak het
antwoord op dat de vorm van samenwerking zo moet zijn dat initiatieven hun eigen
identiteit en zelfbeschikking moeten houden. De vorm moet niet hiërarchisch maar ‘plat’
zijn. Dit sentiment wordt breed gedragen onder initiatiefnemers. Minder vaak (maar nog
steeds door op zijn minst een kleine groep initiatiefnemers) wordt het sentiment geuit dat
samenwerking niet log moet zijn, maar flexibel, informeel of organisch.

Het onderzoek levert nog veel meer ideeën op over doelen en vormen van samenwerking.
Maar die worden telkens maar door een enkeling genoemd. Op basis van dit onderzoek
kunnen we niet concluderen dat ze kunnen rekenen op draagvlak. Maar ze worden wel
meegenomen in vervolgstappen. Want dit onderzoek moet een open dialoog op gang
brengen. Goede ideeën die nu door een enkeling genoemd worden kunnen in een latere
fase aan draagvlak winnen.

Handelingsperspectieven


De Handelingsperspectieven die op basis van dit onderzoek op draagvlak kunnen rekenen,
zijn als volgt samen te vatten.

Vervolg


Dit rapport kan gezien worden als een dialoogstuk voor groene (voedsel)initiatieven zelf, om
aan de hand van die handelingsperspectieven strategische keuzes op elkaar af te stemmen
voor gezamenlijk handelen. Enkele handelingsperspectieven kunnen als experimenten
binnen het Edicitnet Living Lab in Rotterdam uitgevoerd worden. Dit rapport wordt
voorgelegd aan alle initiatiefnemers die hebben deelgenomen aan dit onderzoek. Er wordt
een groepsgesprek met alle deelnemers georganiseerd met de volgende doelen. Ten eerste
kunnen initiatiefnemers in brede zin hun reacties geven op dit rapport. Daarnaast wordt
democratisch één of meerdere handelingsperspectieven geselecteerd die verder als
experiment binnen het Edicitnet Living Lab in Rotterdam worden uitgevoerd. De resultaten
van dit groepsgesprek worden verwerkt in een definitief onderzoeksrapport. En tegelijkertijd
kan er overgegaan worden naar de uitvoeringsfase van het Living Lab.

Lees het hele raport hier